Auteur: klepel@taozen.nl

  • Een kleine oase: Atelier van Hanna Mobach

    Een kleine oase: Atelier van Hanna Mobach

     

    De onderstaande tekst is afkomtig uit: Sietske Roorda, Kunst in de Molenwijk, 2023

    Op een dag in 1976 liep een man met een klein koffertje door de Molenwijk. Waarschijnlijk merkte niemand in de buurt hem echt op, maar de adrenaline gierde op dat moment door zijn lijf. Maarten Houtman (1918-2011) had namelijk het grootste besluit van zijn leven genomen. Hij had zijn vrouw en comfortabele huis in Bilthoven verlaten, en liep nu naar de parkeergarage van de Handmolenflat. Hij klopte aan op de deur (van het huidige Werkplaats Molenwijk), en beeldhouwer Hanna Mobach (1934) deed open. Zij liet hem binnen en bood hem een kopje thee aan. Ze kende hem via haar werk aan de Hogeschool voor de Kunsten Utrecht (HKU), waar zij keramiekdocent was. Hij was docent aan het Grafisch Lyceum in Utrecht, en de eerste zenmeester in Nederland. Nu zat hij tegenover haar in haar atelier. Hij was tot over zijn oren verliefd op haar, en verklaarde haar de liefde. Zij accepteerde.

    Vanaf dat moment woonde Maarten samen met Hanna in haar atelierruimte naast de parkeergarage. Hun bed stond op een verhoging in een hoek, de rest van het atelier werd in beslag genomen door verschillende kleisoorten op pallets, grote sculpturen, en een keramiekoven die wel honderdtwintig centimeter hoog was. De vloer was gemaakt van stelcon platen, de auto’s stonden voor de deur geparkeerd en ’s winters zat je met elkaar rond de gaskachel je handen te warmen.

    Voor Hanna vormde dat geen obstakel. “Ze ging helemaal op in haar kunst. Dat was haar leven,” vertelt haar goede vriend en websitebouwer Hein Zeillemaker. “Het was natuurlijk heel koud en vochtig in haar atelier, maar dat maakte haar niks uit.” Voor Maarten was het anders. “Hij was een stuk ouder dan zij. Er was een verschil van wel vijftien jaar”, valt Zeillemakers partner Klaaske Fokkens bij. “Maarten had ooit in een Japans krijgsgevangenkamp gezeten, dus die was heel gevoelig voor vocht.” Na een jaar afzien vonden ze een appartement in de Bovenkruierflat, waar ze allebei woonden tot Maarten in 2011 overleed, en Hanna in 2017 naar een verzorgingstehuis moest vanwege dementie.

     


    Tot die tijd bewandelde Hanna Mobach steevast haar eigen pad, dat zich grotendeels in de Molenwijk bevond. Hoewel haar man zenmeester was met vele leerlingen, behoorde zij daar niet toe. Ook op andere momenten in haar leven koos ze haar eigen weg. Mobach’s tijd in de Molenwijk wordt daarom gekenmerkt door onafhankelijkheid, gedrevenheid, kennis over haar vak, en natuurlijk de liefde van haar leven. 

    Hanna werd in 1934 geboren als telg van de familie Mobach, bekend van de keramiekfabriek. De fabriek bestaat al sinds 1895 en is gelegen aan de Kanaalweg in Utrecht. Het bedrijf staat vooral bekend om de handgemaakte manshoge vazen in modern design. Zowel Hanna’s vader Klaas als haar broer Bouke werkten in het familiebedrijf, dat nog altijd in handen van de familie Mobach is. Hanna koos echter voor het kunstenaarschap. Ze studeertde kunstgeschiedenis aan de Universiteit Utrecht, deed een postdoctoraat bij Ateliers ’63 in Haarlem, en werd hoofddocent keramisch beeldhouwen aan de HKU. 

     


    Toch bleef haar voornaamste materiaal gelieerd aan haar familie: klei. Beeldend kunstenaar Joop Haring, die vanaf 2000 een paar jaar de atelierruimte naast Hanna huurde, heeft warme herinneringen aan zijn buurvrouw. “Zij heeft me veel verteld over het materiaal klei, en hoe je daar het beste mee om kan gaan. Ze had natuurlijk veel expertise als lid van de familie Mobach. Ze had enorm veel verstand van soorten klei en waar je op moest letten. Zo heb ik van haar een nieuwe techniek geleerd. Het lijkt op het aanbrengen van glazuur op aardewerk, maar is eigenlijk een soort kleislib, terra sigilata. Dat kreeg een loodzwarte kleur als je het bakte. Ik maak er nog steeds gebruik van, dus ze heeft wel degelijk invloed gehad op mijn werk.” 

    Haring herinnert zich haar zachte, bijna fluisterende stem, waardoor hun inhoudelijke gesprekken haast meditatief werden. Hij omschrijft haar manier van werken als volgt: “Wat mij bij haar opviel was dat ze een prachtig intuïtief beeld maakte, en aan het einde richtte ze zich op de details. Zij had een heel gevoelsmatige aanpak, terwijl ik juist werkte vanuit een concept. Daardoor had ze een hele andere manier van kijken naar dingen, en dat vond ik wel bijzonder. We hebben het vaak met elkaar gehad over dat andere perspectief op dingen.” 

    Daarnaast noemt Haring het werk Voeten Zuid/Noord (2001-2002) dat in het atelier stond. Het is een kunstwerk dat bestaat uit een groep keramische platte voeten aan stakerige benen, die allemaal één richting uitlopen. Op haar website beschrijft Mobach hoe het werk Voeten in eerste instantie ontstond uit het lopen in de bergen en de verbinding met de aarde. “Toen de groep groot genoeg was om een landschap te zijn, drong zich ook het beeld van vluchtelingen op. Vandaar de toevoeging ‘Zuid-Noord’,” schreef ze. 

    Freelance curator en kunstcriticus Anne Berk, met wie Mobach nog altijd bevriend is, nam dit kunstwerk en een paar anderen op in haar tentoonstelling Body Talk: De Nieuwe Figuratie in de Nederlandse Beeldhouwkunst van de Jaren Negentig (2004) in Museum Beelden aan Zee in Scheveningen. Berk vertelt dat ze eigenlijk een generatie ouder was dan de andere kunstenaars en hoe belangrijk deze tentoonstelling voor haar was. In de bijbehorende catalogus schreef ze over Mobach’s werk: “Figuratief en non-figuratief wisselen elkaar af, maar zijn steeds terug te voeren op de menselijke emotie en het gebaar dat daar uitdrukking aan geeft, zonder dat die emotie expliciet wordt gemaakt.” Het werk van Mobach blijft dus ongrijpbaar, maar er zit een voelbare spirituele component in haar werk, dat te maken heeft met de aarde, de mens en tijdelijkheid. 

    Dat ongrijpbare van haar werk moet op de een of andere manier nieuwsgierigheid gewekt hebben in de Molenwijk, want op een gegeven moment werd er weer bij Hanna aangeklopt. Deze keer niet op de deur. “Er was een groep jongetjes die daar voetbalden en die met veel plezier tegen de ramen de bal schopten”, vertelt Zeillemaker. “Op een gegeven moment ging het glas stuk. Toen heeft Hanna besloten ze in haar atelier uit te nodigen, om ze te laten zien wat er achter die ramen gebeurde.” 

     


    Wat de kinderen in die mysterieuze atelierruimte naast de parkeergarage ontdekt hebben, is precies wat fotograaf Ingrid Bakker, tevens leerling van Maarten Houtman, in haar foto’s van ateliers van oude kunstenaars probeert vast te leggen. In haar foto’s stap je even in de wereld van de kunstenaars die ze voor haar lens heeft. In haar foto’s van Hanna’s ateliers zie je dat ze een van de stelconplaten uit de vloer heeft laten halen, om een groene tuin te creëren met daarin een vijvertje. En hoe ze haar kleine sculpturen heel precies in de ruimte heeft geplaatst. Bakker omschrijft het atelier van Mobach als een spirituele omgeving. Ze voegt eraan toe: “Het was vreemd om dat atelier te fotograferen, want het was voelbaar dat het niet meer gebruikt werd. Eigenlijk was ik net te laat.” 

    Na het overlijden van Maarten in 2011 begon Hanna’s geheugen langzaam achteruit te gaan. Dat zorgde ervoor dat ze steeds minder in haar atelier komt. Ze greep terug naar een ander medium, waar ze ook veel in gewerkt had: tekenen. Iets wat ze vanaf haar vroegste jeugd al graag deed. Het is in de laatste jaren dat ze in de Molenwijk woonde dat ze haar blik liet rusten op de omgeving, en de natuur van de Molenwijk voor de eerste maal een inspiratiebron voor haar vormde. Ze begon de elzenkatjes hangend aan de bomen na te tekenen. Met een paar nauwkeurig geplaatste lijnen wist ze de kwetsbaarheid van deze bloesem van de els te vangen. 

    Die eenvoud is ook terug te zien in haar enige kunstwerk in opdracht: Nieuwe Naatje (1972). “Het is zo anders dan haar vrije werk dat ze het meer als een bijproduct beschouwde”, vertelt Zeillemaker. Toch is het kleine bronzen beeldje van een jonge vrouw, dat je aan de Marnixstraat ter hoogte van de Bullebaksluis kan vinden, haar bekendste werk. Zeillemaker schreef er een speciaal blog over. Mobach maakte het beeld ter ere van het 700-jarig bestaan van de stad Amsterdam en ter vervanging van de Oude Naatje die ooit op de Dam stond. [1]
    De Naatje van Hanna staat daar met een rechte rug,
     borst vooruit, handen in de zak en haar neus in de wind. Dat ene kleine beeldje belichaamt in één oogopslag alles wat heel Amsterdam is of zou willen zijn: trots, ludiek en een tikkeltje eigenwijs.

    De bovenstaande passages zijn afkomstig uit:
    Sietske Roorda, Kunst in de Molenwijk, 2023

    ____________________

    [1] ‘Naatje’ (officieel ‘De Eendracht’) stond tussen 1856-1914 op de Dam in Amsterdam. Het monument werd opgericht ter ere van de tevergeefse Tiendaagse veldtocht in 1830-31 tijdens de Belgische Onafhankelijkheidsstrijd. Al snel raakte het beeld in verval en kreeg het de bijnaam ‘Naatje’ (waarschijnlijk vanwege de inscriptie ‘NATIE’ op de sokkel). Hierdoor is de uitdrukking ‘’Het is naatje” of “naatje pet” ontstaan, dat betekent “het is waardeloos”.

  • Passanten

    Passanten

    ‘Zo heb ik haar gezien,’ vertelt Hanna Mobach. Tijdens één van haar vele reizen naar Noorwegen maakte ze een tocht door de Jotunheimen. Op 3000 meter hoogte lag er sneeuw, maar door de felle zon smolt de sneeuw op de hoogste punten weg. Het was zo stil dat je het water kon horen druppelen. Er ontstonden holletjes in de sneeuwvlakte. Stukken rots kwamen bloot te liggen en staken zwart af tegen de witte sneeuw. Ze spiegelden zich in het meer en vormden de contouren van een vrouw.
    ‘Telkens overkomt het me dat ik in een plooi van het landschap of de reflectie van het water mijn gevoelens weerspiegeld zie. Het zijn bezielde plekken, die aansluiten op wat er in mijn verbeelding al bestond.
    De tekening die Mobach van de verschijning in de Jotunheimen maakte kreeg een vervolg in een beeld.

    Voor Mobach is de waarneming belangrijk, voedingsbodem en vertrekpunt voor de verbeelding. Ze heeft haar leven lang getekend, notities gemaakt van weidse landschappen in Groningen, Frankrijk en Noorwegen. In tekeningetjes die soms niet groter zijn dan een hand, zijn bomen aaneengesmeed tot plastische vormen met uitgesproken contouren, maken bergketens een omhelzend gebaar of manifesteren vluchtige schaduwen zich tot een ijle figuur.
    ‘Deze Icarusfiguur had ik in 1991 al waargenomen en getekend, maar in 1993 herkende ik zijn gestalte in de holtes van een kleigroeve in Brunssum. Toen kwam ik op het idee om ter plekke een afdruk van de aarde te maken.

    Mobach, die uit een oud pottenbakkersgeslacht stamt, was gefascineerd door de verweerde, gebarsten aarde, gegeseld door water, zon en wind als het gelaat van een oude vrouw. Ze maakte gipsafdrukken van deze sporen die op hun beurt dienden als mal voor een positieve vorm in klei . Zo veranderden de sporen van het landschap in de sporen van menselijk leven, in gestalten die aan omzwachtelde mummies of verdroogde veenlijken doen denken.[1]
    De Icarus en andere beelden uit deze serie (o.a. Demeter en Verdwenen water) zijn in feite objets trouvés. Balancerend op de grens tussen vorm en vormeloosheid prikkelen ze de verbeelding . Mobach heeft deze figuren herkend in de plooien van de aarde en de fragmenten afgedrukt, afgebakend en verwerkt in een beeld. Ze lijken ontstaan zoals ook de natuur ontstaat, en niet ‘gemaakt’.

    Het werken met objets trouvés kent echter ook zijn beperkingen. Je bent tenslotte afhankelijk van wat je vindt. Mobach besloot zichzelf meer vrijheid toe te staan en de beelden zelf te maken. De met goudluster geglazuurde Stronk (1999) werd van de grond af opgebouwd uit plukken klei, met een handgebaar dat de suggestie van samengebalde energie versterkt. Bedding (1998-99), de wederhelft van Stronk, herinnert aan de lichte sporen van een rug in het warme zand, aan de ontvankelijkheid van moeder aarde. Bij dit beeld vleide Mobach de klei over een bedding van zand die ze met haar handen in de holtes drukte.
    Bedding en Stronk zien er ook ‘natuurlijk’ uit, maar in de Voeten Zuid/Noord (2001) wordt de figuratie explicieter. De voeten zijn breed en plat alsof ze groeien uit de aarde die ze betreden. De dunne benen vormen een hoek ten opzichte van de voeten waardoor de suggestie van beweging wordt opgeroepen. Het beeld van stromen vluchtelingen dringt zich op – vandaar de titel -, maar toch was Mobach hier in eerste instantie niet op uit. De oorsprong van dit beeld ligt in het wandelen, in het lopen in de natuur. ‘Vaak wordt de waarheid nog eerder ontdekt door de voet dan door het oog’, schrijft Meir Shalev en dat geldt ook voor Mobach.[2] ‘Ik ben me sterk bewust van mijn eigen lijf. Hoe mijn voeten contact maken met de aarde die zich onder mij welft als een lichaam. Soms lijkt het bijna onbeleefd om eroverheen te lopen’.

    Het oeuvre van Hanna Mobach is moeilijk te categoriseren.[3] Haar werk vertoont een cyclische ontwikkeling waarbij dezelfde thema’s in een andere gestalte opduiken. Figuratief en non-figuratief wisselen elkaar af, maar zijn steeds terug te voeren op de menselijke emotie en het gebaar dat daar uitdrukking aan geeft, zonder dat die emotie expliciet wordt gemaakt. ‘Waar het over gaat is moeilijk in woorden te vangen . Het gaat mij om de ziel van de dingen. Dat kan ik alleen zichtbaar maken in een beeld.’

    Op de postacademische opleiding Ateliers ’63 kreeg ze les van Wessel Couzijn, Eddy Fernhout, Ger Lataster en Carel Visser.[4]
    Vooral Couzijn (1912-1984) was van grote invloed: ‘Couzijn was een sterke persoonlijkheid. Hij daagde je uit om te laten zien wat je wilde. Hij verlangde dat je betrokken was bij je onderwerp, maar gaf je ook alle vrijheid om je ideeën te verbeelden, precies zoals hij zelf ook werkte.’ Couzijn had in 1936 de Prix de Rome gewonnen, maar was stukgelopen op het herhalen van wéér een vrouwelijk naakt. Wat had dat voor zin? Hij vertrok naar Frankrijk en vluchtte tijdens de oorlog naar Spanje. Vandaar week hij uit naar de VS om aan de jodenvervolging te ontkomen. De oorlog maakte een onuitwisbare indruk op hem. Bij het vormgeven van zijn emoties kon hij niet uit de voeten met de klassieke figuratie zoals die door prof. Bronner (docent aan de Rijksakademie) werd voorgestaan. ‘Couzijn ontdekte de expressiemogelijkheden van gebruiksvoorwerpen, die immers een geschiedenis met zich meedragen, en versmolt ze met was tot organische beelden. Zo hadden wij op de binnenplaats van de Ateliers een grote hoop schroot waar de prachtigste stukken voor het uitkiezen lagen, gebutste en vervormde stukken ijzer die ik met gips en vlas tot een geheel smeedde. Die schroothoop was de oorsprong van Schelp (1967). Ik haalde de motorkap van een 2CV uit de hoop, die openwelfde toen ik me omkeerde, en ik werd getroffen door de houding van overgave. Andere beelden die ik in die tijd maakte zijn de in lood(!) gegoten Ruimtevaarder, en Sneeuwwitje en haar prins.’

    Schelp is een ontvankelijk beeld, Cape zijn tegenpool.

    Keramiek in de breedste zin van het woord is een omhulling van de leegte. Daar speelt Mobach met Cape op in. Cape, en Rode jas (1999) zijn net als ons lichaam, een tijdelijk omhulsel dat wij uiteindelijk van onze schouders zullen werpen. Mobach is sterk doordrongen van de vluchtigheid van het bestaan. Het zweven (Ruimtevaarder), het vallen (Icarus) en de nagelaten sporen (Verdwenen water, Demeter) zijn daar de uitdrukking van. Zij zijn de voorouders van Zwarte prinses.

    De geheimzinnige gesloten Cape uit 1973 ontstond tijdens een wandeling op de causse in Frankrijk. Mobach zag tussen de schapen een donkere vorm oprijzen die ze niet kon thuisbrengen, met een holte waarin iets scheen te leven. Het bleek een herder te zijn die zich in zijn cape had verborgen tegen de regen. Mobach werkte haar visioen uit in klei, het materiaal waar Mobach mee was opgegroeid en waar ze nu naar teruggreep. Ze kneedde twee modellen die haar te letterlijk voorkwamen, kneep de natte klei in elkaar en opeens zag ze de spleet ontstaan die haar had gefascineerd. Deze ondefinieerbare gestalte voerde ze uit in het groot. Ze beschikte over de mogelijkheid om de meer dan levensgrote Cape te stoken bij het familiebedrijf, ‘Mobach pottenbakkers’ in Utrecht, en zo werd Hanna Mobach een van de eerste keramische beeldhouwers in ons land.

    De bovenstaande passages zijn afkomstig uit:
    Anne Berk, Body Talk, 2004
  • Landschapstekeningen Groningen (1972-1975)

    Op www.hannamobach.nl – de website met een chronologisch overzicht van haar werk, die ik ooit samen met Hanna mocht bouwen – is te zien, dat zij zich al vroeg evolueerde van een ‘realistische’ naar een ‘abstracte’ benadering van haar werkelijkheid. In dat licht bezien is haar Groningse periode te beschouwen als ‘vroeg werk’. Ik weet niet of het daardoor onderbelicht is gebleven – hoewel ik er ademloos naar kon kijken, heeft het nooit toegang tot haar etalages gekregen. Nou, dat was dan zo... 
    Nu ik, twintig jaar later, toch de moed heb een tipje van deze sluier op te lichten, viel me op dat haar Groninger werk – hoe levensecht het ook is – toch al een zekere abstractie bezit.
    Maar er is een uitzondering: de onderstaande schets van, (vermoedelijk) de steenfabriek in Oostrum – die ik hier hier als introductie gebruik, om het contrast met het minimalistische landschappen van de overige tekeningen aan te geven.  
    Hein Zeillemaker, 29 januari 2022
    Klik op de afbeeldingen om ze te vergroten
    Een tekening begint met een leeg stuk papier – en ‘leegte’ betekent: vrijheid en openheid. Of ik nu tekende in het wijde Groninger land of in de Zwitserse bergen, wat mij trof was altijd hetzelfde: ruimte, openheid en plek voor wat zich wilde laten zien. 
    Hanna
    Hof

    je kijkt – en langzaam ga je vergeten
    waar je vandaan kwam en waar
    je naar terug wilde

    er is hier iets dat je vertelt dat
    er op je werd gewacht en aan je vraagt
    om niet meer weg te gaan

    en ja – even zou je willen zijn
    wat je ziet.

    Groninger straatpoëzie van Rutger Kopland
  • Met ‘De stroom’ mee…

    Met ‘De stroom’ mee…

    Op haar website beschrijft Hanna Mobach hoe ze in de zeventiger jaren het landschap in haar werk probeerde te integreren, met als grote uitdaging: hoe kun je de ruimte vangen in klei?

    In een serie Raku-beelden experimenteerde ze met de ruimte an sich, waarbij in de zo ontstane binnenruimte plaats was voor ‘riet, stro of houtsnippers’.

    “Bij grotere beelden uit dezelfde tijd was de werkwijze andersom: eerst waren er de takken, als een ruimtelijke tekening, daarna de keramische boog (‘De doorzichtige berg’). Eerst was er een stuk aluminium, daarna de keramische drager (‘De stroom’).”

    Hanna Mobach – De Stroom, 1985,
    steengoed met pigmenten en slibglazuur, aluminium, 20 x 80 x 110 cm

    ‘De stroom’ was het eerste werk van ik van Hanna zag. Eind jaren tachtig stond het beeld op een tentoonstelling in Amersfoort op een tafel uitgestald, waarbij het binnenvallende licht de ingebedde stroom deed schitteren.
    Ik was er weg van … en dat vertelde ik Hanna later.
    Veertien jaar later, nadat de werkzaamheden aan www.hannamobach.nl waren voltooid, kreeg ik het beeld zomaar cadeau…

    Ik had inmiddels veel van Hanna’s werk gezien – op afbeeldingen, in haar atelier, op tentoonstellingen – maar De stroom had voor mij z’n thrill nooit verloren: de schittering op het water dat zich een weg baant door de welvingen van het landschap … zo tastbaar, zo vlak onder bereik…
    Dus ik voelde me de koning te rijk met haar geschenk … maar werd tegelijk voor de vraag gesteld: waar moet ik dat gedroomde landschap plaatsen, in mijn studiowoning op 4-hoog…
    “Op je balkon,” zei Hanna.
    Ik probeerde het uit…

    ‘De stroom’ op mijn balkon … de ban gebroken… 

    Maar helaas… De Stroom leek er z’n kracht, z’n leven, te verliezen en lag als een vis op het droge… Ik struikelde erover – letterlijk.
    Geconcipieerd als gestold landschap, gebouwd uit de klei van oevers, gemaakt tot een zitting van zijn schittering, leek De Stroom een natuurlijke omgeving toch broodnodig te hebben… Ook al lag hij toen die eerste keer in Amersfoort als een parel daar op die tafel … losgekoppeld, als droomlandschap.

    Zen-vriendin Ingrid Bakker in Breukelen bracht uitkomst.

    Ongeveer in diezelfde tijd verruilde zij haar verdieping langs het Amsterdam-Rijnkanaal voor een eengezinswoning met tuin – en accepteerde het aanbod voor bruikleen van De Stroom van harte.

    Zo ligt De Stroom daar nu in haar tuin, temidden van aarde, gras en bloemen. En lijkt zijn bestemming gevonden te hebben – terwijl de voetjes van poes Ploffie voorzichtig de oevers aftasten…

    Vanaf haar vroege jeugd heeft Ingrid zich in haar zeilboot ‘De Vrijheid’ door de stroom laten wiegen – nu is De Stroom naar haar toegekomen. Zoals de berg naar Mohammed.
    Hein Zeillemaker

  • ‘Nieuwe Naatje’ gespot

    Op mijn ronde langs een aantal buitenbeelden van Hanna ging ik op zoek naar Naatje, de ‘opvolgster’ van de legendarische ‘Naatje van de Dam’, die zo, na een lange afwezigheid, als herboren in de stad weerkeerde.

    Toen ik destijds aan Hanna’s website werkte, passeerde veel van haar werk de revue. Maar ik was ‘Naatje’ nooit tegengekomen. Dat maakte me extra nieuwsgierig… werd zij soms stiefmoederlijk bejegend?
    Ooit had ik ‘Naatje’ in het voorbijgaan aan het Rokin zien staan. Maar toen ik later poolshoogte ging nemen, bleek zij verdwenen. Nog meer geheimzinnigheid…

    Eerst wat over de lotgevallen van haar roemrijke voorgangster.
    Het monument waarop ‘Naatje van de Dam’ prijkte, stond van 1856 tot 1914 op die plek – zie de historische foto hierboven. De officiële naam luidde: ‘De Eendracht, Gedenkteken aan de Volksgeest van 1830 en 1831’ (de Belgische afscheidingsoorlog…). Het werd in 1856 opgericht als Nationale Monument. ‘Naatje Eendracht’ – zoals ze ook wel genoemd werd – was een bijna vier meter hoge vrouwenfiguur, die bovenop een reusachtige hardstenen sokkel stond.
    Toen deze ‘Naatje van de Dam’ ten lange leste onder haar eigen gewichtigheid bezweek, circuleerde het volgende spotdicht in de stad:

    Lieve Naatje, schrei toch niet.
    Nu gij dra de sloopers ziet,
    Lang genoeg stondt ge op den Dam
    Oud en stijf, mismaakt en lam.

    In 1914 was het dan zover…

    Het duurde vervolgens nog tot 1975 voordat Naatje in de stad terugkeerde. Het was ter gelegenheid van het 700 jarig bestaan van Amsterdam, dat de firma Proost en Brandt Hanna de opdracht gaf het beeld te ontwerpen. Zo werd Naatje ‘weer thuisbracht’, zoals op de sokkel te lezen valt:

    Naatje, op 15 mei 1975 ter ere van Amsterdam 700
    weer thuisgebracht door Proost Prikkels redactie”

    Wat Hanna voor ogen stond, bleek in alles het tegenbeeld te zijn van de Naatje uit de 19e eeuw. Het werd een klein, speels, elegant beeld – dat bij de onthulling ‘Nieuwe Naatje’ werd genoemd.
    Aanvankelijk stond ‘Nieuwe Naatje’ op het Rokin, bij de ingang van de Watersteeg. Later kreeg ze een plek op de Bullebaksluis, daar waar de 2e Hugo de Grootstraat de Singelgracht kruist.

    Op mijn speurtocht naar ‘Naatje’ kwam ik aan het einde van de Bloemgracht op een pleintje aan, waar volgens Google de Bullebaksluis moest zijn. Ik vond alleen een paar grote bloembakken… Het bleek dat je eerst de Marnixstraat over moest oversteken, richting Hugo de Grootplein. Op een hek aan het water daar staat ‘Bullebaksluis’.

    En dan ontwaar je haar opeens … op een vergeten plekje langs de Marnixkade staat ze, hoog op haar voetstuk, te dromen, temidden van een paar bankjes.
    Nieuwe Naatje blijkt een fier ogend, slank figuurtje te zijn, het licht glanst op haar bronzen huid. Het is een brutaal wicht, dat is duidelijk. Maar ze is, daar op die hardstenen sokkel van Proost en Brandt, eigenlijk een gewoon Amsterdams meisje, met de onbevangenheid van de zeventiger jaren.
    Na een tijdje om haar heen gedraaid te hebben, val je als een blok voor deze Naatje. Ze is pittig, sierlijk en bekoorlijk. En wat een uitzicht heeft ze over de Singelgracht… Wel iets anders dan die van op de Dam, hier word je echt gelukkig van…

    Op de terugweg fiets ik langs Multatuli op de Torensluis – en ben weer terug in de wereld der iconen.

  • Onthulling ‘Cape’ op 30 juni

    Cape (1973) in de tuin van provinciehuis Rijnsweerd
    [Klik om te vergroten]
    Tekening van de nieuwe locatie
    [klik om te vergroten]

    ‘Cape’ – ook wel Mantel genoemd – kreeg dinsdag 30 juni 2015 een nieuwe locatie in de stad Utrecht. Dankzij de inspanningen van velen kon ‘Cape’ een plek krijgen in het Kromme Rijn Park, achter Breitnerlaan 9 – zie bovenstaande locatie-tekening van de Gemeente Utrecht.

    “Tussen de schapen op de hoogvlakte stond een hardgroen ding. Het hield de blik gevangen, het was niet thuis te brengen, wat was het? Er leek iets in te leven, een minieme beweging moet het geweest zijn. Plotseling gooide het de kap af en kreeg het menselijke proporties.
    Met klei kleine schetsen gemaakt.
    Pas toen ik er een in elkaar kneep, ontstond er een spleet die opriep wat me gefascineerd had.
    In Utrecht werd in die tijd een nieuwe gasoven gebouwd. Jaan Mobach liet het gewelf 10 cm verhogen, dan zou de cape,
    als de kop losgesneden werd, er precies in passen – het beeld zou 2,20 m hoog worden.
    Ik bouwde het beeld uit ringen op en wijdde daarmee mijn nieuwe atelier in Amsterdam in.
    Mart Joosten verzorgde het transport naar Utrecht toen de klei lederhard was en na droging zette Van Gendt en Loos het met een vorkheftruck in de oven.
    Enkele jaren later werd het in de tuin van het toenmalige Provinciekantoor in Utrecht geplaatst, na een presentatie waaruit 10 keramisten overbleven.”

    Kunstrecensent Anne Berk schreef over ‘Cape’:
    “Keramiek in de breedste zin van het woord is een omhulling van de leegte. Daar speelt Hanna Mobach met de ‘Cape’ op in. De ‘Cape’, ‘Rode jas’ en ‘Blauw jasje’ zijn, net als ons lichaam, een tijdelijk omhulsel dat wij uiteindelijk van onze schouders zullen werpen. Mobach is sterk doordrongen van de vluchtigheid van het bestaan.”

    Onthulling van de ‘Cape’ (foto Ingrid Bakker)
    [klik om te vergroten]
    ‘Cape’ onthuld (foto Peter van Balgooi)
    [klik om te vergroten]

    Bij de onthulling hoorde ik vertellen dat kinderen, die het beeld op zijn oude locatie in Rijnsweerd hadden zien staan, het een beetje ‘eng’ vonden. Mijzelf doet deze figuur zonder gezicht onweerstaanbaar denken aan een ‘Zwarte Ruiter’, de angstaanjagende gevleugelde geestverschijningen uit Tolkien’s In de ban van de ring’ – hoewel het beeld dat aan Hanna’s fantasie ontsproot decennia vóór de verfilming door Peter Jackson al gerijpt was…
    Toegegeven, Hanna zag iets vanuit haar ooghoeken – het gebied waar volgens de overlevering onze angsten vorm aannemen. Maar zij zag ook dat dat ‘hardgroene ding’ temidden van de schapen, na het afgooien van de kap slechts een gemantelde schaapherder bleek te zijn. Terwijl wij als naïeve toeschouwers de oerscène voorgeschoteld krijgen – wat zij zag voordat de ban gebroken was…

    Hein Zeillemaker

    ‘Cape’ droomt verder… (foto Peter van Balgooi)
    [klik om te vergroten]